Het
idee om ziektemateriaal te potentieëren is afkomstig van Hering.
Er wordt wel beweerd dat Hahnemann niet bekend was met
het begrip nosode, of
er niets van moest hebben. Beide beweringen zijn onjuist.
Hahnemann heeft benadrukt dat in geval een isopathisch
substantie gepotentieërd wordt en juist toegepast wordt,
dit verandert in een homeopathisch geneesmiddel.
Een nosode kan dezelfde ziekte waarvan het gemaakt is wel
verbeteren, maar niet genezen.
Het is alleen geneeskrachtig als het wordt voorgeschreven
op grond van de totaliteit van karakteristieke symptomen.
Als het middel niet als constitutiemiddel, maar als
simillimum van het huidige constitutionele minder
diepgaande beeld wordt voorgeschreven, zou je het een
intercurrent of tussenmiddel kunnen noemen t.o.v.
het constitutiemiddel, wat hierna (weer) gegeven wordt.
De nosode is hier het juiste middel, het
constitutiemiddel is op dat moment niet goedgekozen,
ook al was er hier sprake van een verstoord
constitutioneel beeld door miasmatische invloeden.
Er kunnen bij de homeopathische behandeling twee soorten
middelen naar voren komen: een individueel middel op
grond van de individuele symptomen en middelen die
gerelateerd zijn aan de erfelijke of verworven invloeden.
Als het beeld niet duidelijk een middel aangeeft door gebrek
aan karakteristieke symptomen, kan
de desbetreffende nosode
vaak duidelijkheid scheppen. Er moeten echter wel key-notes
aanwezig zijn die dit middel in keuze bevestigen, een
weinig gedifferentieerd beeld is al een indicatie dat een
nosode het nu passende middel is. Een middel moet nooit
op grond van vermoedens of routine gegeven worden, het
blijft altijd zaak het simillimum voor te schrijven.
Hierbij komt dat de nosodes zeer diepwerkende middelen
zijn, die niet lichtvaardig gegeven mogen worden, ze zijn
in staat latente miasma's te activeren.
De nosodes moeten niet snel herhaald worden en de tijd
krijgen hun diepe werking te ontplooien.
De nosodes zijn gemaakt van ziekteweefsels of excreties
en vormen daarom een aparte groep van middelen.
Alle andere middelen zijn uit 'gezond' materiaal bereid,
dus als de invloed van de ziekte te sterk is moet er na
het niet-nosode middel, soms een nosode voorgeschreven
worden, welke gelijksoortig het 'ongezonde' gedeelte van
de patiënt is.
De nosodes hebben gemeenschappelijk dat ze een eenzijdig
geneesmiddelbeeld kunnen opleveren, met weinig
karakteristieke symptomen, continue verandering van de
symptomen, gebrekkige reactiekracht, gevolg van
onderdrukking van symptomen en fragmenten van
geneesmiddelbeelden van constitutionele middelen.
Het nosode temperament heeft het gevoel besmet, schuldig,
vies te zijn, of heeft het gevoel dat het leven een last
is, voelt zich nooit comfortabel of tevreden in welke
omgeving dan ook, ze hebben een ongezond voorkomen, met
een uitdrukking van lijden op het gezicht wanneer ze
ontspannen zijn, ze neigen naar zelfvernietigings
impulsen, begeertes en gewoonten.
Het thema van de nosodes is wanhoop en dit komt tot
uitdrukking in elk aspect van het leven bij personen die
deze middelen nodig hebben.
De persoon lijkt in bezit genomen te zijn door het beeld
van de nosode, waardoor de individualiteit overschaduwd
wordt.
De nosode staat model voor het corresponderende miasma of
fase en laat een anticiperende gewaarwording van de
volgende fase zien
(Psora - > Sycosis - > Tuberculosis - > Syfilis).
Overgeërfde lagen van pathologie komen frequent overeen
met de miasmatische middelen: Psorinum, Syphilinum, Medorrhinum, Carcinosin en
Tuberculinum.
Als deze lagen verwijderd zijn vindt men vaak niet-miasmatische
lagen daaronder.
De nosodes vormen een aparte groep binnen de middelen, ze
kunnen zich als een normale laag laten zien, zoals andere
middelen met een duidelijke constitutionele indicatie,
maar de andere mogelijkheid is dat ze verstrengeld zijn
met een onderliggende laag. In zulke gevallen ziet men
niet de aanwijzingen voor één middel, maar voor twee.
Er zijn duidelijke symptomen voor beide middelen
tegelijkertijd aanwezig, wat de keuze moeilijker en de
resultaten minder voorspelbaar maakt.
Er worden in literatuur verschillende indicaties gegeven
voor het voorschrijven van nosodes:
1. Op grond van de totaliteit van karakteristieke
symptomen, dus als constitutioneel simillimum;
2. Ter ondersteuning van een goed gekozen middel;
3. Wanneer de vooruitgang tijdens een constitutioneel
middel afneemt, als gevolg van een miasmatische laag;
4. In geval er te weinig karakteristieke symptomen zijn
om op voor te schrijven;
5. Het niet meer goed sinds syndroom, na een
bepaalde infectie;
6. Waar indicaties zijn voor meerdere middelen, maar er
niet één echt uitspringt.
Alhoewel deze aanduiding heel geaccepteerd is binnen de
Klassieke Homeopathie, is het maar de vraag of dit
allemaal wel de toets der kritiek kan doorstaan.
Er moet worden voorgeschreven op grond van symptomen,
maar opeens gelden bepaalde wetmatigheden blijkbaar niet
meer.
Er wordt de indruk gewekt dat in hopeloze gevallen een
tweede-keus middel ingezet wordt, zoals een nosode, Sulphur, Nuv-v. etc.
Deze benaderingswijze staat een wetenschappelijke en
doelmatige toepassing van de Klassieke Homeopathie in de
weg.
Een middel moet afgestemd worden op de present predominating state. Als een middel aan deze voorwaarde voldoet zal het ook genezen. In geval het goed gekozen middel niet werkt, klopt ons idee over hoe er gekozen dient te worden blijkbaar niet. |