Potentie heeft geen betrekking op de kracht, maar op de kwaliteit van een middel. Naarmate de potentie toeneemt wordt de dynamische (energetische) werking door het schudden steeds verder vrijgemaakt. Om deze middelen met verdunningen of diluties aan te duiden, zoals wel vaak gebeurt, is dus foutief. |
Jahr zegt: "De
middelen worden niet sterker en ook niet zwakker, maar
hun individuele bijzonderheden komen meer en meer tot
ontwikkeling."
Met andere woorden, hun werkingsgebied wordt steeds
verder vergroot.
De werkelijke potentie van een middel is de uitwerking
die een bepaalde dynamisatiegraad kan hebben op een patiënt,
want elke patiënt zal individueel reageren op een
bepaalde dynamisatie.
Hoe juister het middel en krachtiger de constitutie, des
te hoger de potentie mag zijn.
Het is vooral bij chronische gevallen nooit helemaal met
zekerheid te zeggen welke potentie de beste is, of bij
herhaling dezelfde of een hogere potentie gegeven moet
worden. Dit is dan een kwestie van proberen met de
richtlijnen in het achterhoofd.
Als het middel bij herhalen niet meer
werkt, moet men doorgaan naar de
volgende hogere potentie. In geval er geen goede werking
is en de hogere potentie direct al was gegeven zonder
eerst de voorgaande potentie te herhalen, weer terug gaan
naar de vorige potentie.
In geval de reactie gering
is en men een hoge potentie heeft gegeven, kan het beste
eerst nog een veel lagere potentie geprobeerd worden, of
in geval een lage potentie was gegeven, een veel hogere
potentie, voordat men van het middel afstapt.
Het is veilig om met C30/C200 of LM1/LM2 te beginnen,
want nooit te laag
of te hoog
willen geven moet het uitgangspunt zijn.
De hogere C-potenties zijn uitstekend geschikt in acute
aandoeningen en crises, ze werken ook vaak goed bij
chronische verstoringen in het functionele stadium. De
meeste problemen bij het gebruik van de hoge en hoogste C-potenties
treden op in chronische ziekten met miasmas,
onderdrukking, iatrogene ziekte en organische pathologie.
In deze gevallen zijn de LMs meer geschikt.
C-potenties worden in het algemeen vanaf C6 tot een CM-potentie
gegeven;
LM-potenties vanaf de laagste potenties LM1-LM6 evt.
evenredig met de ontvankelijkheid: niveau van gezondheid/levenskracht,
mate van pathologie, onderdrukking, gevoeligheid etc.,
tot de hoogste potentie LM30.
Potentieschalen:
1. Decimaal 1/10 (D).
2. Centesimaal 1/100 (C).
3. 50 Millesimaal 1/50.000 (LM).
Potentieniveaus:
1. Laag - D0-D6, C3-C6, LM1-LM3.
2. Medium - D12-D30, C6-C30, LM6-LM12.
3. Medium hoog -D200, C100, C200 LM18-LM30.
4. Hoog - C1000 (1M).
5. Hogere en zeer hoog - 10M, 50M, CM, DM, MM.
Een homeopathisch middel wordt gegeven om de verstoorde levenskracht te stimuleren.
Men moet hierbij rekening houden met de tweedelige
werking van het middel; primair en secundair.
De primaire dynamische verdedigingshouding bij ziekte (om
de homeostase te handhaven) op een het organisme
binnendringend 'specifiek vijandig agens', is het
middelpunt van deze reactie. Het juiste middel moet exact
aansluiten bij deze reactie.
Deze similliteit hangt af van het gekozen middel, de
dosis en de potentie.
De secundaire dynamische reactie, de totale individuele
respons van het organisme op de ziekte wordt door het
Simillimum geïntensifieerd en aangezet de harmonie in
het organisme te herstellen.
Ziekte moet niet als iets vijandelijk, van buiten het
lichaam gezien worden, het is een aanpassingsreactie van
het organisme.
De selectie van de juiste potentie is geen eenvoudige
zaak, er moeten verschillende componenten welke de
totaliteit vertegenwoordigen mee gewogen worden:
1. Het karakter van de ziekte.
2. Gevoeligheid en susceptibiliteit.
3. Susceptibiliteit/ constitutie/ vitaliteit.
4. Aetiologie: onderhoudende, verergerende en
fundamentele factoren.
4. Miasmatische aspecten.
5. Gelijksoortigheid: Graad en niveau.
6. Het karakter van het middel.
7. Onderdrukking.
1. Het karakter van de ziekte:
Het karakter van de acute en
chronische ziekte en hun cyclussen:
In het algemeen is het zo dat verstoringen die een snelle
ontwikkeling hebben, hyperactieve neiging, allergische
reacties en nerveuze prikkelbaarheid, meer reactief
zijn dan de verraderlijk langzaam ontwikkelende ziekten.
Gevallen van ver voortgeschreden pathologie en verzwakte
vitaliteit zijn vaak meer gevoeliger voor de middelen,
dan die met functionele verstoringen en een gemiddelde
algemene gezondheid.
- Classificatie van de ziekte:
Acuut, Sub-acuut, Chronisch, Somatisch, Psychosomatisch,
Psychiatrisch.
Een intensieve verstoring
vraagt (uiteindelijk) om een hoge potentie. In het
algemeen reageren acute ziektes goed op hoge potenties,
want er zijn meestal nog geen organische veranderingen,
dus blijft de susceptibiliteit hoog.
Bij de meeste acute casussen werkt bijna elke potentie
die verwijderd is van de grondstof genezend, mits het
middel juist gekozen is. Het moet wel frequent herhaald
worden.
De medium en hoge potenties werken veel beter in zulke
gevallen en bewerkstellingen veel sneller een positieve
reactie dan de lagere potenties.
Bepaalde aandoeningen hebben specifieke potenties nodig.
- Het stadium en van de ziekte:
Functioneel of Structureel.
- Fase effect:
Exacerbatie of Remissie.
- Weefselveranderingen:
Fysiologisch,
Biochemisch of Pathologisch.
- Type Pathologie:
1. Onsteking, Vernietiging, Degeneratie, Hypertrofie,
Atrofie, Diepgeworteld, Hypergevoelig.
2. Omkeerbaar, Grensgeval, Onomkeerbaar.
- Tijdsduur van de ziekte en tempo:
Het karakter van de pathologie; deze kan plotseling of
geleidelijk ontstaan, zich snel, medium of langzaam
ontwikkelen.
- Miasmatische gesteldheid:
1. Psora: Hyperactief, dramatische ontwikkeling van
symptomen.
2. Sycosis: Extreem langzaam, traag, verraderlijk.
3. Tuberculosis: Snel verschijnen en verdwijnen,
wisselende symptomen.
4. Syfilis: Meestal medium in snelheid, soms langzaam of
snel, snelle verslechtering welke tot onomkeerbaarheid
leidt.
- Patroon van de ziekte:
Periodiek, Onregelmatig, Altenerend, Statisch,
Progressief.
- Weefselaffiniteit:
Het beschouwen van de lagen van onderdrukking en
progressie van ziekte: Ectoderm - > Endoderm - >
Bindweefsels - > Mesoderm - > Neuro-Endocriene
klieren - > Zenuwstelsel - > Veranderingen in de
Genetische code.
- Expressies, modaliteiten,
symptomen en tekenen:
Mentale, Generale versus Plaatselijk karakteristieke
symptomen,
Gewone versus Karakteristieke symptomen,
Pathologische versus Niet-pathologische symptomen,
Hoofdklacht versus Concomiterende symptomen.
Hahnemann verlaagde tijdens de behandeling de potentie
bij het gebruik van de lagere potenties van de C-schaal,
van C30, C18, C12, naar C6 etc. Bij de hogere potenties
verhoogde hij de potentie tijdens de behandeling.
In geval de ziekte terugkeert, maar niet meer zo sterk
als tevoren het geval was, terwijl de patiënt op alle
niveaus is verbeterd, is het zeer effectief om een lagere
potentie te geven, omdat we patiënt minder willen beïnvloeden
en de susceptibiliteit voor de lage potenties hersteld is.
Vithoulkas zegt: "Bij een vitale
patiënt met een sterke constitutie
en niet zo gevoelig,
kan direct een hoge potentie ingezet worden, bijvoorbeeld
10M, 50M.
Maar om altijd een CM. te geven is overbodig, hier wordt evenredig
met de intensiteit van de symptomatologie
gegeven, bijvoorbeeld: een gewone verkoudheid C30, maar
een longontsteking 50M."
2. Gevoeligheid en susceptibiliteit:
Gevoeligheid en susceptibiliteit
zijn twee fundamentele factoren die belangrijk zijn bij
het bepalen van de potentie.
Gevoeligheid heeft betrekking op de reactiviteit van het
organisme op zintuiglijke prikkels, het is de
mogelijkheid van het organisme om te voelen en te
reageren op stimuli.
De gevoeligheid moet beschouwd worden op het niveau van
lichaam en geest.
Susceptibiliteit is de mogelijkheid van het organisme om
te kunnen reageren op stimuli van de omgeving.
Gevoeligheid en susceptibiliteit kunnen hoog, gemiddeld
of laag zijn.
Hoge gevoeligheid laat een hoog niveau van reactiviteit
op zintuiglijke prikkels zien, de patiënt reageert op
verscheidende stimuli intens.
Hoge susceptibiliteit is herkenbaar aan een grote mate
van 'karakteristieke expressie', het organisme laat een
toegenomen activiteit zien; een groot aantal modaliteiten,
karakteristieken.
Het ziek zijn speelt zich af op het functionele niveau en
er is nauwelijks pathologie.
Middelmatige gevoeligheid laat een middelmatig
reactieniveau zien.
Middelmatige susceptibiliteit laat middelmatige expressie
zien, het functionele reactieniveau neemt af en
structurele veranderingen ontwikkelen zich, maar ze
bereiken niet de fase van onomkeerbaarheid, het organisme
heeft nog steeds de mogelijkheid om de progressie van de
ziekte op het structurele niveau tegen te gaan.
Lage gevoeligheid is herkenbaar aan weinig stimulans en
karakteristieken.
Lage susceptibiliteit duidt op een toestand waar het
lichaam niet meer in staat is het degeneratieve proces
weerstand te bieden en karakteristieke expressie te laten
zien.
Een 'Eenzijdig ziektebeeld' heeft een lage, afgenomen
susceptibiliteit.
De richting en voortgang van een ziekte laten het pad
zien waarlangs het ziekteproces zich ontwikkelt. Wanneer
de ontwikkeling is van een functioneel naar structureel
niveau en gepaard gaat met de afname van karakteristieken,
verschuift de gevoeligheid en susceptibiliteit van:
Hoog - > Medium - > Laag.
Hoog, hypergevoeligheid:
Nerveuze, snelbewegende personen met
snelle stemmingswisselingen en snelle verandering van
symptomen, onrustig, gespannen, alert, snel, sterke
reactie op de omgeving, meerdere allergieën of
overgevoeligheid voor chemische stoffen, ze hebben vaak
slaapproblemen etc. De gevoeligheid is ook vaak
toegenomen in gevallen van vergevorderde pathologie,
verzwakte vitaliteit, overgevoelige levenskracht en
langdurig medicijngebruik. Men moet voorzichtig zijn in
geval de uitscheidingsorganen overladen zijn met toxinen
en bij de oudere mensen omdat ze verborgen pathologie
kunnen hebben.
Medium, gemiddelde gevoeligheid:
Dit is de gemiddelde normale
constitutionele gevoeligheid; kalme stabiele personen,
met een goede vitaliteit, functionele ziekte of een
beginstadium van weefselpathologie, goed functionerende
uitscheidingsorganen en geen snelle verandering in
symptomen etc.
Laag, hypogevoeligheid:
Trage, langzame personen, ongevoelig en traag van begrip,
vrijwel geen allergieën, onbewogen op prikkels uit de
omgeving etc.
De gevoeligheid is soms ook afgenomen door te veel
medicijngebruik, zoals kalmeringsmiddelen etc. Deze
mensen hebben vaak een gebrek aan energie en kunnen
verzwakt zijn en enige reactiekracht missen. Als hun
vitaliteit laag is moet de homeopaat terughoudend zijn
met de dosis en potentie.
Een goede observatie van de constitutie geeft een
redelijke indruk van de gevoeligheid van het individu,
maar het geeft geen zekerheid.
Patiënten met een hoge graad van gevoeligheid hebben
hoge potenties nodig en een herhaling met een lage
frequentie.
Patiënten met een middelmatige graad van gevoeligheid
hebben medium hoge potenties nodig en een herhaling met
een lage frequentie.
Frequente herhaling van lage potenties is benodigd bij
patiënten met een lage gevoeligheid.
Bij overgevoeligheid en geringe vitaliteit; de medium of
medium hoge C-potenties of de laagste LM-potenties, in
een lage herhalingsfrequentie.